Alexander Pechtold - Ik riep altijd: ik ga niet naar Den Haag

Alexander PechtoldAls mensen je niet kennen, stemmen ze ook niet op je, is de filosofie van Alexander Pechtold. “Afgelopen week heb ik nog zestig nieuwe Hyves-vrienden geaccepteerd,” zegt de D66-fractievoorzitter, die ook een van de eerste burgemeesters was met een eigen weblog (“Die hield ik trouw elke maandag bij”). Pechtold deed lang over zijn studie kunstgeschiedenis omdat hij er zoveel naast deed. "Mijn vriendin zei: of je gaat die scriptie nu schrijven, of we donderen alles weg. Maar als je het niet doet, neem je het jezelf waarschijnlijk je hele leven kwalijk.”

Dat je moet studeren wat je leuk vindt, daar is Pechtold zelf het levende voorbeeld van. Zijn rechtenstudie houdt hij niet langer dan drie maanden vol, en hij besluit dat hij het jaar daarop kunstgeschiedenis wil gaan studeren: “Toen ik studeerde, was iedereen werkloos. Ik ben dus gaan doen wat ik leuk vond, vanuit de overtuiging dat ik daar dan waarschijnlijk ook goed in zou zijn.” De rest van dat eerste collegejaar werkt Pechtold. Ook handig bij sollicitaties, vindt hij: “Niemand vraagt ooit naar punten, ze kijken vooral naar wat je ernaast gedaan hebt. Als ik zelf mensen moest aannemen, pikte ik altijd die cv’s eruit waar iets bijzonders mee was. Zelf heb ik allerlei dingen gedaan: ik zat in de studierichtingscommissie en ik had alle mogelijke soorten bijbanen, meestal gerelateerd aan de studie of maatschappelijk betrokken.” Een van die banen is suppoost in museum De Lakenhal. “Dat verdiende goed, wat voor een student natuurlijk prettig is, maar het zat ook meteen in mijn toekomstige vakgebied. Daarnaast was ik nachtportier in een hotel.”

Alexander PechtoldNog even afstuderen…
De baan als suppoost in het museum zorgt ervoor dat Pechtold tijdens zijn studie al een ‘echte’ baan krijgt, eerst als assistent bij een veilinghuis, en daarna als veilingmeester. Ondertussen wordt hij – op zijn 24e – lid van D66, en als de lokale afdeling een paar maanden later een fractieassistent zoekt, gaat Pechtold dat werk doen. Hij is onder andere assistent van Thom de Graaff. “Pas op dat moment realiseerde ik me dat zo’n partij natuurlijk ook lokaal actief is. Dat baantje heeft uiteindelijk mijn politieke carrière bepaald. Ik heb er heel veel van geleerd.” In 1994 komt Pechtold in de gemeenteraad. Door al die bijbanen duurt het wel lang voor hij afstudeert: tussen de start van zijn studie en zijn afstuderen zitten maar liefst tien jaar. “De laatste vier jaar, tijdens mijn afstuderen, werkte ik gewoon,” zegt Pechtold. “De scriptie was het struikelbok. Op de hoek van de tafel lag heel lang een grote stapel papieren waar ik zo nu en dan naar keek. Hele weekends werden erdoor verpest: ik had het gevoel dat ik iets moest doen, maar ik had de hele week zo hard gewerkt dat ik er geen energie meer voor had.” Maar dan grijpt zijn vriendin (met wie hij nu getrouwd is) in: “Zij zei: ‘Of je gaat die scriptie nu schrijven, of we donderen alles weg. Maar als je het niet doet, neem je het jezelf waarschijnlijk je hele leven kwalijk’. En daar had ze gelijk in.” Natuurlijk kun je ook je studie in vier jaar afronden en dan meteen de arbeidsmarkt opgaan. Maar Pechtold gelooft daar niet zo in. “Te vroeg op de arbeidsmarkt komen kan betekenen dat je te snel keuzes maakt waar je een paar jaar later heel anders over kunt denken. Je moet je niet opsluiten in één carrière waar je ergens voor wordt opgeleid, zodat uitstappen moeilijk is. Je kunt er maar beter wat later inkomen, als je wat gerijpter bent en kunt laten zien wat je allemaal al gedaan hebt.”

Nooit zomaar solliciteren
In 1997, als Pechtold adjunct-directeur bij het veilinghuis is en ‘op het punt staat daar een serieuze stap in te maken’, treedt een van de twee Leidse D66-wethouders af: “Ze zochten een opvolger en zeiden: ‘Laat die Pechtold dat maar doen’. Ik was dertig en ik dacht: kan ik dit allemaal wel? Als ik nu die veilingwereld vaarwel zeg, dan is dat definitief.” Hij besluit het toch te doen en wordt - met afstand - de jongste wethouder. “Iedereen dacht dat het maar een jaar zou duren, want het jaar daarop waren er weer gemeenteraadsverkiezingen. Ik werd lijsttrekker. We verloren wel, maar niet dramatisch, waardoor ik door kon als wethouder.” Bijna zeven jaar is Pechtold wethouder, met een steeds uitgebreidere portefeuille. Het zijn woelige tijden: Pechtold ziet drie verschillende burgemeesters, vier gemeentesecretarissen en dertien collega-wethouders voorbijkomen. “Ik dacht: als ik nog langer blijf, zullen ze voor mij ook een stok vinden. En ik was ook toe aan iets nieuws.”

Alexander PechtoldAls hij een vacature ziet voor een burgemeester in Wageningen, herinnert Pechtold zich dat Thom de Graaff jaren daarvoor al eens tegen hem heeft gezegd dat Wageningen leuk zou zijn voor hem (‘een klein stadje, maar wel met een universiteit’). “Op dezelfde dag dat ik zag dat Wageningen vrijkwam, belde hij me: ‘Heb je het gezien?’” Zelf denkt Pechtold ook dat hij een kans maakt. “Anders moet je niet solliciteren, vind ik. Zomaar solliciteren stompt af en je vergooit de spanning die hoort bij een goede sollicitatie. Daar moet je in zitten met de gedachte: dit word ik gewoon. Liever een paar goede gerichte brieven dan overal maar op schrijven.” Hij wordt uitgenodigd om te komen praten. “De eerste vraag van de vertrouwenscommissie was wat ik van Wageningen wist. Ik antwoordde: ‘Ik ben er nu voor het eerst’. Ze keken me met grote ogen aan en ik zei: ‘Even voor alle helderheid: als u iemand zoekt die alles van Wageningen weet, moet u mij niet nemen. Als u op zoek bent naar een jonge enthousiaste lokale bestuurder die ervaring heeft in een universiteitsstad, dan denk ik dat u mij moet nemen. Dat Wageningen, dat leer ik wel’.”
Ondanks zijn leeftijd – 37 – en het feit dat er tussen de 22 sollicitanten ook kandidaten met veel meer ervaring zitten, krijgt Pechtold de baan. “De commissaris van de koningin vond mij een frisse nieuwe kandidaat. Ik zag in Wageningen echt een gemeente waar ik resultaat kon boeken. Ik heb hier anderhalf jaar met veel plezier gewerkt.” Eigenlijk zou Pechtold nog wel langer burgemeester van Wageningen willen zijn, maar er dient zich een kans aan. Thom de Graaff, op dat moment Minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, treedt af en draagt Pechtold (die inmiddels naast burgemeester ook landelijk partijvoorzitter is) voor als zijn opvolger. “Van burgemeester naar minister, dat was het tweede moment in mijn carrière dat ik dacht: oh nee, kan ik dat wel, en wil ik dat wel? Ik wilde korte lijnen en concrete samenwerking. Ik riep altijd: ik ga niet naar Den Haag, ik wil niet in die landelijke politiek, maar ik was ook al partijvoorzitter. En zo zat ik anderhalf jaar in een kabinet waar ik veel te enthousiast was ingestapt toen dat eigenlijk al op zijn retour was.” In 2006 valt dat kabinet. Pechtold is minister-af: “In de zomer trof ik mezelf in de achtertuin met een gevoel van: vluchten we nu of gaan we er iets van maken? Met dat laatste ben ik nu bezig. Ik ben heel blij dat ik niet heb toegegeven aan de verleiding om eruit te stappen, dat ik doorgegaan ben, en ik ben blij dat mijn omgeving me daarbij blijft stimuleren.”

Idealen vs ambitie
Wie een ministersfunctie op zijn carrièreverlanglijstje heeft staan, moet dat lijstje snel aanpassen, vindt Pechtold: “Als je met die instelling begint, zie ik je droom in duigen vallen. Geïnteresseerd zijn in politiek is iets anders dan voor jezelf een politieke carrière zien. Gemeenteraadslid worden was voor mij: je maatschappelijk inzetten. Dat ik wethouder zou worden was niet bij me opgekomen, die stappen heb ik genomen toen ze zich voordeden. Misschien klink ik idealistisch, maar de drijfveer voor een politieke carrière moet niet je eigen ambitie zijn, maar je idealen om in het openbare bestuur bezig te zijn voor de publieke zaak. Soms lijkt het wel of het erom gaat wie er aan de beurt is om minister te worden. Dat zijn meestal niet de beste bestuurders. Een ministerschap is geen bekroning op je politieke carrière, het zou iets moeten zijn dat mensen van diverse pluimage en achtergrond één keer in hun leven een aantal jaren doen.” Dat zijn dan wel tropenjaren: “Je werkt 100 uur per week, het is een aanslag op je sociale contacten, je huwelijk en je gezondheid. Je zíét ministers ouder worden tijdens hun ministersperiode.” Gelukkig heeft Pechtold wel iets positiefs overgehouden aan zijn periode als minister: “De portefeuille Koninkrijksrelaties heeft me een levenslange liefde voor de Antillen opgeleverd. Ik sluit niet uit dat ik ooit nog iets met de Antillen ga doen. Maar ik ben nog niet zo bezig met een volgende carrièrestap. Dat leidt maar af. In de politiek kan het morgen over zijn. Daar ben ik niet zo bang voor, ik weet wat ik waard ben.” Pechtold verwacht dat zijn volgende functie wel weer in de publieke sector zal zijn: “Bij een maatschappelijke instelling, of misschien wel weer burgemeester, want dat voelt nog steeds als onaf. Dan niet meer in Wageningen natuurlijk, dat zou gek zijn. Teruggaan naar wat leuk was in een bepaalde fase, dat leidt tot teleurstellingen.”

Alexander PechtoldVoor de muziek uit
Volgens Pechtold is D66 altijd een partij geweest die op de regels vooruitliep. “Hans van Mierlo zei in 1971 al: ‘Eerlijk delen in een schoon land’. Toen was het thema klimaat, energie en milieu nog helemaal niet zo ontwikkeld. Tien jaar geleden riep D66 ‘onderwijs’, en, tegen de verdrukking in: ‘Europa’. Voor de muziek uitlopen maakt je kwetsbaar, je loopt als eerste de klappen op.” Dat heeft D66 meer dan eens ervaren. “Maar we hebben altijd de kracht gehad om na een periode van verdrukking weer uit de as te herrijzen, telkens weer te definiëren waar die partij voor staat. Dat is soms moeilijk, maar daardoor trekken we wel dat deel van de bevolking dat de nuance zoekt. Het gaat nu goed met ons, omdat het debat polariseerde en D66 daar de rust van de nuance in weet te brengen. Het leven is niet zwart en wit, en de politieke vraagstukken al helemaal niet.” Zelfs de oude tegenstellingen links en rechts vervagen: “Die begrippen zijn de afgelopen jaren behoorlijk door elkaar gehaald. Als je kijkt naar de SP, een linkse partij, dan zie je dat die een behoorlijk conservatieve agenda heeft, terwijl Wilders en Verdonk als je het goed beschouwt juist progressief genoemd kunnen worden. Bos zit op de rechterflank als het gaat om integratie. Dat beeld is dus veranderd.” Pechtold noemt D66 een ‘vrijzinnig liberale partij’: “Sterk georiënteerd op de kansen van het individu. We geven de markt een kans, maar met de overheid om regels te stellen en excessen te voorkomen, dat is het sociaal-liberale van D66. We zijn er voor mensen die nieuwsgierig zijn naar de toekomst, die vinden dat Nederland weer ambitie moet krijgen om te hervormen, te innoveren. Mensen die vinden dat deze generatie solidariteit naar de volgende generatie moet tonen, willen dat belangrijke onderwerpen als arbeidsmarkt, woningmarkt én democratie aandacht krijgen. Kortom: mensen die stilstand zien als een probleem dat opgelost moet worden.”

Dit interview is verschenen in Werk! Hét Nederlandse Carrièreboek 2009

Share/Save/Bookmark